Wat betekent elektrificatie van het wagenpark voor jouw organisatie?

Wat betekent elektrificatie van het wagenpark voor jouw organisatie

Leestijd: 10 minuten

De elektrificatie van een wagenpark gaat verder dan het vervangen van dieselvoertuigen door elektrische bedrijfswagens of vrachtwagens. Voertuigen moeten voortaan op de juiste momenten worden geladen, waardoor de energievraag verschuift naar jouw eigen bedrijfslocatie. Routes, stilstandtijden, laadmomenten en beschikbare netcapaciteit worden daardoor onderdeel van dezelfde afweging.

Een succesvolle overstap begint daarom bij de dagelijkse bedrijfsvoering. Welke voertuigen wil je elektrificeren? Wanneer zijn zij op de locatie aanwezig? Hoeveel ruimte biedt de huidige energievoorziening? En welke investeringen zijn nodig om later meer voertuigen toe te voegen? Door deze vragen vooraf samen te beantwoorden, voorkom je dat losse keuzes elkaar later in de weg zitten.

Kort uitgelegd: Bij elektrificatie van het wagenpark worden voertuigen, laadvoorzieningen en de energie-infrastructuur als één geheel bekeken. De inzet van het wagenpark bepaalt wanneer er geladen moet worden. De bedrijfslocatie bepaalt hoeveel elektriciteit daarvoor beschikbaar is. Vanuit die combinatie kan een gefaseerde strategie worden opgesteld die aansluit op de huidige operatie en toekomstige groei.

Wat betekent elektrificatie van het wagenpark voor jouw organisatie

Wat verandert er wanneer een wagenpark elektrificeert?

Bij een traditioneel wagenpark wordt brandstof meestal onderweg of op een afzonderlijk tankmoment aangevuld. Met elektrische voertuigen wordt laden onderdeel van de planning op de eigen locatie. Voertuigen keren terug, worden aangesloten en moeten voldoende geladen zijn voordat de volgende rit begint.

Daardoor verschuift een deel van de verantwoordelijkheid voor de inzetbaarheid van het wagenpark naar de energievoorziening. Een voertuig dat technisch klaar is voor vertrek, kan alsnog niet worden ingezet wanneer onvoldoende energie beschikbaar is. Laadplanning, routeplanning en voertuigbeschikbaarheid raken dus direct met elkaar verbonden.

De verandering raakt eveneens de inrichting van het terrein. Er moet ruimte zijn voor laadvoorzieningen en voertuigen moeten tijdens hun stilstand bereikbaar zijn voor het laden. Tegelijk moet de bestaande elektriciteitsvoorziening de extra vraag kunnen verwerken zonder andere processen op de locatie te verstoren.

Waarom begint elektrificatie bij de bedrijfsvoering?

De benodigde laadinfrastructuur kan pas goed worden bepaald wanneer duidelijk is hoe het wagenpark wordt gebruikt. Het aantal voertuigen geeft daarvoor onvoldoende informatie. Twee transportbedrijven met hetzelfde aantal vrachtwagens kunnen door verschillende routes en stilstandtijden een compleet andere laadbehoefte hebben.

De dagelijkse operatie vormt daarom het vertrekpunt. Daarbij wordt gekeken naar vertrek- en terugkeertijden, gereden routes, de beschikbare tijd tussen ritten en de verwachte ontwikkeling van het wagenpark. Een voertuig dat iedere avond langdurig op het eigen terrein staat, biedt andere mogelijkheden dan een voertuig dat gedurende de dag maar kort beschikbaar is.

Door eerst de bedrijfsvoering te onderzoeken, voorkom je dat de techniek de planning gaat bepalen. De laadvoorzieningen en energiesturing worden juist ingericht rondom de momenten waarop voertuigen beschikbaar moeten zijn.

Welke voertuigen zijn geschikt voor de eerste stap?

Een wagenpark hoeft niet in één keer volledig elektrisch te worden. Veel organisaties beginnen met een deel van de voertuigen en breiden daarna stapsgewijs uit. Welke voertuigen geschikt zijn voor de eerste fase, hangt af van hun inzet binnen de organisatie.

Voertuigen met voorspelbare routes en langere stilstandtijden zijn doorgaans eenvoudiger in een laadplanning op te nemen. Wanneer duidelijk is hoeveel energie voor de volgende rit nodig is en hoeveel tijd beschikbaar blijft om te laden, kan worden beoordeeld of elektrificatie binnen de bestaande operatie past.

Daarbij moet verder worden gekeken dan de eerste voertuigen. De laadvoorzieningen die nu worden gerealiseerd, moeten bij voorkeur kunnen aansluiten op de volgende fase. Dat betekent niet dat alle toekomstige techniek direct moet worden aangeschaft. Wel is het verstandig om vooraf te bepalen welke ontwikkeling wordt verwacht en welke voorbereidingen daarbij horen.

Hoe bepaal je de toekomstige laadbehoefte?

De laadbehoefte bestaat uit meer dan het totale elektriciteitsverbruik van de voertuigen. Vooral het moment waarop de energie beschikbaar moet zijn, is belangrijk. Meerdere voertuigen kunnen over een hele nacht voldoende tijd hebben om te laden, terwijl één voertuig dat snel opnieuw moet vertrekken een grotere directe vraag veroorzaakt.

Voor ieder voertuig of iedere voertuiggroep moet daarom worden bekeken hoeveel energie nodig is voor de volgende inzet en hoeveel tijd beschikbaar is om deze energie te laden. Ook de onderlinge prioriteit speelt een rol. Een voertuig dat vroeg vertrekt, kan eerder energie nodig hebben dan een voertuig dat pas later wordt ingezet.

Vanuit deze gegevens ontstaat een laadprofiel. Dit profiel laat zien wanneer de vraag naar elektriciteit toeneemt, welke voertuigen mogelijk tegelijk laden en op welke momenten ruimte bestaat om het laden te spreiden. De laadbehoefte wordt zo gebaseerd op het werkelijke gebruik van het wagenpark in plaats van op een algemeen aantal laadpunten per voertuig.

Wat betekent elektrificatie voor de bedrijfslocatie?

De energievraag van elektrische voertuigen komt boven op het bestaande elektriciteitsgebruik van de locatie. Kantoren, magazijnen, werkplaatsen, productiemiddelen en andere voorzieningen blijven eveneens elektriciteit vragen. Het wagenpark moet dus worden ingepast binnen een energiesysteem dat al in gebruik is.

Daarom moet worden vastgesteld wanneer de bestaande locatie veel energie gebruikt en hoeveel ruimte op andere momenten beschikbaar blijft. Een hoge laadvraag hoeft minder problematisch te zijn wanneer deze buiten de bestaande pieken valt. Wanneer laden juist samenvalt met andere zware processen, kan de totale belasting sneller oplopen.

De inrichting van de locatie moet daarnaast passen bij de manier waarop voertuigen worden ingezet. Laadpunten moeten logisch bereikbaar zijn en voertuigen moeten tijdens hun stilstand kunnen laden zonder de logistieke bewegingen onnodig te hinderen. De technische en operationele inrichting horen daardoor gezamenlijk te worden voorbereid.

Welke rol speelt de netaansluiting?

De netaansluiting bepaalt hoeveel elektriciteit de locatie binnen afgesproken grenzen kan afnemen. Bij uitbreiding van het wagenpark kan de energievraag toenemen, terwijl een zwaardere aansluiting door netcongestie mogelijk niet of niet direct beschikbaar is.

Dat betekent niet automatisch dat de elektrificatie moet worden uitgesteld. Eerst moet worden onderzocht hoeveel ruimte binnen de huidige situatie aanwezig is. Misschien laden voertuigen op momenten waarop andere processen weinig vragen. Mogelijk kunnen bepaalde laadmomenten worden verschoven of kan de beschikbare energie over de voertuigen worden verdeeld.

Belangrijk is dat de beoordeling verder kijkt dan de eerste fase. Wanneer de eerste voertuigen zonder problemen kunnen laden, wil dat nog niet zeggen dat dezelfde inrichting geschikt is voor een groter elektrisch wagenpark. De toekomstige ontwikkeling moet daarom vanaf het begin in de analyse worden meegenomen.

Wanneer kan slim laden helpen?

Slim laden betekent dat voertuigen niet allemaal automatisch met het hoogst mogelijke vermogen laden. De beschikbare elektriciteit wordt verdeeld op basis van de planning, technische grenzen en de energiebehoefte van ieder voertuig.

Een voertuig dat de volgende ochtend vroeg vertrekt, kan bijvoorbeeld eerder worden geladen dan een voertuig dat pas later nodig is. Wanneer een voertuig voldoende energie voor de geplande route heeft, hoeft het niet altijd direct volledig te worden geladen. Zo kan de beschikbare capaciteit gerichter worden ingezet.

Een energiemanagementsysteem kan deze keuzes automatisch uitvoeren. Het systeem houdt rekening met de beschikbare ruimte op de locatie en de prioriteiten van het wagenpark. De waarde daarvan zit niet uitsluitend in de software, maar vooral in de afspraken waarop de aansturing is gebaseerd. Zonder duidelijke voertuig- en routeplanning kan een systeem niet bepalen welk laadmoment voor de organisatie het belangrijkst is.

Wanneer zijn batterijopslag en eigen opwekking relevant?

Batterijopslag, zonnepanelen en energiemanagement worden vaak genoemd in combinatie met de elektrificatie van wagenparken. Deze onderdelen zijn echter geen standaardantwoord voor iedere locatie. Hun waarde hangt af van het bestaande energieprofiel, de laadmomenten en de plannen van de organisatie.

Eigen opwekking kan interessant zijn wanneer de opgewekte elektriciteit op bruikbare momenten binnen de locatie kan worden ingezet. Wanneer voertuigen vooral op andere momenten laden, moet worden beoordeeld hoe deze verschillen zich tot elkaar verhouden.

Batterijopslag kan mogelijk helpen om beschikbare energie tijdelijk op te slaan of om de belasting op bepaalde momenten anders te verdelen. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn welk concreet vraagstuk wordt opgelost. De investering moet passen binnen het complete energiesysteem en de verwachte ontwikkeling van het wagenpark.

Waarom moet je meerdere groeiscenario’s vergelijken?

De elektrificatie van een wagenpark verloopt meestal in fasen. In de eerste fase worden bijvoorbeeld enkele voertuigen vervangen. Later kunnen nieuwe voertuigtypen, andere routes of hogere laadvermogens volgen. Een ontwerp dat uitsluitend op de eerste fase is afgestemd, kan daardoor snel achterhaald raken.

Met verschillende scenario’s wordt zichtbaar hoe de energievraag zich kan ontwikkelen. Denk aan de situatie met de eerste elektrische voertuigen, een volgende uitbreiding en een groter aandeel elektrisch transport binnen het totale wagenpark. Per fase kan worden bekeken welke laadbehoefte ontstaat en welke gevolgen dit heeft voor de locatie.

Vanuit deze scenario’s kan een roadmap worden opgesteld. Daarin staat welke investeringen nu nodig zijn, welke voorzieningen voorbereid moeten worden en welke beslissingen later genomen kunnen worden. Dat voorkomt dat direct te groot wordt geïnvesteerd, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met verdere groei.

Wat gebeurt er na de oplevering?

De ontwikkeling stopt niet zodra de eerste laadvoorzieningen in gebruik zijn. Nieuwe voertuigen kunnen andere batterijgroottes en laadvermogens hebben. Routes en vertrektijden veranderen, terwijl regelgeving en techniek zich eveneens blijven ontwikkelen.

Monitoring laat zien hoe de laadinfrastructuur werkelijk wordt gebruikt. Daarmee wordt zichtbaar wanneer pieken ontstaan, hoeveel voertuigen gelijktijdig laden en hoeveel ruimte beschikbaar blijft voor verdere uitbreiding. De praktijksituatie kan vervolgens worden vergeleken met de uitgangspunten uit het oorspronkelijke ontwerp.

Beheer gaat daarom verder dan technisch onderhoud. Instellingen van laadpunten en energiemanagement kunnen worden aangepast wanneer de planning verandert. Ook nieuwe investeringen moeten opnieuw binnen het complete energiesysteem worden beoordeeld. Zo blijft de energievoorziening aansluiten op de ontwikkeling van het wagenpark.

Hoe helpt Zonneklaar bij de elektrificatie van een wagenpark?

Zonneklaar begint bij de organisatie achter het wagenpark. We brengen voertuigen, routes, laadmomenten, de bestaande energievoorziening en groeiplannen samen. Vervolgens rekenen we verschillende scenario’s door en bepalen we welke stappen passen bij de dagelijkse operatie en de ontwikkeling van de locatie.

Vanuit deze analyse ontstaat een roadmap waarin voertuigen, laadinfrastructuur, energiemanagement en mogelijke aanvullende energieoplossingen op elkaar aansluiten. Zonneklaar kan daarna betrokken blijven bij de engineering, realisatie, monitoring, het onderhoud en de verdere optimalisatie van het energiesysteem.

Het doel is geen zo groot mogelijke technische installatie, maar een inrichting waarmee voertuigen volgens planning inzetbaar blijven en iedere volgende investering aansluit op de keuzes die eerder zijn gemaakt.

Tot slot

De elektrificatie van een wagenpark vraagt om keuzes over voertuigen, routes, laadmomenten en de energievoorziening op jouw locatie. Door deze onderdelen vanaf het begin gezamenlijk te beoordelen, ontstaat een uitvoerbare route voor de eerste voertuigen en de verdere uitbreiding daarna.

Sta je aan het begin van de elektrificatie of wil je weten of jouw huidige energievoorziening klaar is voor de volgende fase? Zonneklaar brengt jouw wagenpark, laadbehoefte en groeiplannen samen in één energiestrategie.

Veelgestelde vragen over elektrificatie van wagenparken

01 Moet een wagenpark in één keer volledig elektrisch worden?

Een volledige overstap in één keer is niet noodzakelijk. Een gefaseerde aanpak maakt het mogelijk om te beginnen met voertuigen en routes die goed binnen de huidige bedrijfsvoering passen. De volgende fasen kunnen vervolgens worden voorbereid op basis van de ervaringen en groeiplannen.

02 Hoe weet je welke voertuigen als eerste geschikt zijn?

Daarvoor worden onder meer de routes, afstanden, terugkeertijden en beschikbare stilstand bekeken. Voertuigen met een voorspelbare inzet en voldoende tijd om op de eigen locatie te laden, kunnen geschikt zijn voor een eerste fase.

03 Kunnen meerdere voertuigen gebruikmaken van dezelfde laadvoorziening?

Dat hangt af van de planning en de tijd die ieder voertuig beschikbaar is. Wanneer voertuigen op verschillende momenten aanwezig zijn of voldoende lang stilstaan, kan worden onderzocht of laadvoorzieningen gedeeld kunnen worden.

04 Is een zwaardere netaansluiting altijd nodig?

De noodzaak hangt af van het huidige elektriciteitsgebruik, het laadprofiel en de beschikbare ruimte binnen de aansluiting. Slim laden of een andere verdeling van laadmomenten kan mogelijk helpen, maar dit moet per locatie worden beoordeeld

05 Wanneer moet een energiemanagementsysteem worden toegepast?

Een energiemanagementsysteem kan relevant worden wanneer meerdere laadprocessen en andere energievragers op elkaar moeten worden afgestemd. Eerst moeten de operationele prioriteiten en technische grenzen duidelijk zijn, zodat het systeem gericht kan worden ingericht.

06 Waarom blijft monitoring nodig nadat alles is geïnstalleerd?

Het werkelijke gebruik verandert wanneer voertuigen, routes of laadmomenten worden aangepast. Monitoring maakt deze veranderingen zichtbaar en helpt om instellingen, onderhoud en volgende investeringen te laten aansluiten op de actuele situatie.

Neem contact op

Klaar om je energie slimmer te regelen?

Wil je weten welke energieaanpak past bij je bedrijf, locatie en plannen? Zonneklaar brengt je verbruik, piekmomenten, beschikbare capaciteit en toekomstplannen in kaart. Zo krijg je duidelijkheid over de keuzes die nodig zijn om je energievoorziening beter te benutten.