Leestijd: 11 minuten
Bij een elektrisch wagenpark wordt laden onderdeel van de dagelijkse transportplanning. Voertuigen keren op verschillende momenten terug, hebben niet allemaal dezelfde route en moeten op uiteenlopende tijden weer beschikbaar zijn. Wanneer alle voertuigen direct met het hoogste vermogen laden, kan een hoge piekbelasting ontstaan.
Slim laden stemt het laadproces af op de inzet van het wagenpark en de beschikbare energie op de locatie. Een energiemanagementsysteem kan daarbij rekening houden met vertrektijden, laadprioriteiten, de netaansluiting en andere energievragers. Zo wordt energie verdeeld op basis van wat de operatie op dat moment nodig heeft.
Kort uitgelegd: Slim laden betekent dat voertuigen op het juiste moment en met een passend vermogen worden geladen. Een energiemanagementsysteem bewaakt hoeveel energie beschikbaar is en verdeelt deze over voertuigen en andere voorzieningen. De transportplanning bepaalt daarbij welke voertuigen voorrang krijgen.
In deze blog:

Bij voertuigen op brandstof staat het tankmoment meestal los van de energievoorziening op de bedrijfslocatie. Met een elektrisch wagenpark verschuift een groot deel van de energievraag naar het eigen terrein. Voertuigen moeten daar voldoende energie krijgen voordat hun volgende rit begint.
Daardoor worden laadmomenten onderdeel van de dagelijkse planning. Het maakt verschil of een voertuig aan het einde van de middag terugkeert en de volgende ochtend vertrekt, of gedurende de dag maar kort op de locatie aanwezig is. Ook de benodigde energie verschilt per route.
Wanneer meerdere voertuigen tegelijk terugkeren, kan de laadvraag snel oplopen. De laadplanning moet daarom aansluiten op:
De logistieke operatie bepaalt zo wanneer energie nodig is. De techniek moet deze planning ondersteunen.
Bij regulier laden begint een voertuig doorgaans energie af te nemen zodra het wordt aangesloten. Wanneer meerdere voertuigen op hetzelfde moment worden aangesloten, kunnen zij gelijktijdig veel vermogen vragen.
Bij slim laden wordt het beschikbare vermogen over de voertuigen verdeeld. Niet ieder voertuig hoeft direct met het hoogste vermogen te laden. De aansturing kan rekening houden met de tijd waarop een voertuig weer moet vertrekken en de energie die voor de volgende rit nodig is.
Een voertuig dat pas de volgende middag wordt gebruikt, hoeft mogelijk niet dezelfde prioriteit te krijgen als een vrachtwagen die vroeg in de ochtend vertrekt. Het laadproces kan daardoor over een langere periode worden verspreid.
Slim laden betekent dus niet automatisch dat een voertuig sneller wordt geladen. Het doel is dat ieder voertuig op het juiste moment voldoende energie beschikbaar heeft, terwijl de technische grenzen van de locatie worden bewaakt.
Een voertuig hoeft voor de volgende rit niet altijd over een volledig geladen batterij te beschikken. De benodigde hoeveelheid energie hangt samen met de geplande route en de manier waarop het voertuig die dag wordt ingezet.
Wanneer een voertuig voldoende energie heeft voor de volgende rit, kan het resterende laadproces mogelijk later plaatsvinden. Daarmee ontstaat ruimte om andere voertuigen eerder te laden of om de totale belasting van de locatie te beperken.
Bij het bepalen van de laadprioriteit spelen onder meer de volgende vragen:
Door vanuit de ritplanning te werken, kan energie gerichter worden verdeeld. De laadstatus is daarbij één van de gegevens, maar de geplande inzet bepaalt hoeveel energie werkelijk nodig is.
Een laadstrategie begint met informatie over het wagenpark en de dagelijkse operatie. Alleen het aantal elektrische voertuigen is onvoldoende om te bepalen hoe de laadvoorzieningen moeten worden aangestuurd.
Van ieder voertuig of iedere voertuiggroep moet duidelijk zijn wanneer het voertuig aanwezig is, wanneer het opnieuw wordt ingezet en hoeveel energie voor die inzet nodig is. Ook moet bekend zijn hoeveel laadvermogen de locatie beschikbaar kan stellen.
Een analyse kan onder meer bestaan uit:
Deze informatie wordt vertaald naar een laadprofiel. Daarin wordt zichtbaar op welke momenten voertuigen aanwezig zijn, waar gelijktijdige vraag ontstaat en hoeveel flexibiliteit de planning biedt.
Zonder deze gegevens kan een laadstrategie moeilijk aansluiten op de werkelijke bedrijfsvoering.
Binnen een transportbedrijf hebben voertuigen verschillende prioriteiten. Een voertuig met een vroege vertrektijd moet eerder gereed zijn dan een voertuig dat later wordt ingezet. Ook kan een geplande route meer energie vragen dan een kortere rit.
De laadstrategie kan daarom per voertuig bepalen:
Op basis daarvan kan het beschikbare vermogen worden verdeeld. Voertuigen met een hogere operationele prioriteit krijgen eerder of tijdelijk meer laadvermogen. Voertuigen die langer blijven staan, kunnen later of geleidelijker worden geladen.
De planning blijft daarbij leidend. Wanneer een route verandert of een voertuig eerder nodig is, kan de laadprioriteit eveneens veranderen. Een goede koppeling tussen de operationele afspraken en de energiesturing is daarom belangrijk.
Een energiemanagementsysteem brengt verschillende onderdelen van de energievoorziening samen. Het systeem bewaakt hoeveel elektriciteit op de locatie wordt gebruikt en hoeveel ruimte binnen de ingestelde grenzen beschikbaar blijft.
Op basis daarvan kan het systeem laadpunten aansturen. Wanneer het energiegebruik van andere bedrijfsprocessen toeneemt, kan het laadvermogen tijdelijk worden aangepast. Zodra meer ruimte beschikbaar is, kan het laden weer worden verhoogd.
Het systeem kan rekening houden met:
Een energiemanagementsysteem neemt de operationele keuzes niet zelfstandig. Eerst moet duidelijk zijn welke voertuigen prioriteit hebben en welke technische grenzen gelden. De software vertaalt deze afspraken vervolgens naar automatische aansturing.
Piekbelasting ontstaat wanneer verschillende installaties en voertuigen op hetzelfde moment veel elektriciteit vragen. Bij een groeiend elektrisch wagenpark kan dit bijvoorbeeld gebeuren wanneer meerdere voertuigen aan het einde van een werkdag tegelijk worden aangesloten.
Een energiemanagementsysteem kan de totale belasting bewaken. Wanneer een ingestelde grens dreigt te worden overschreden, kan het laadvermogen over de voertuigen worden verdeeld of tijdelijk worden verlaagd.
Daarbij hoeft de inzetbaarheid van het wagenpark niet direct in gevaar te komen. Wanneer voertuigen meerdere uren op de locatie blijven, kan het laden over die periode worden verspreid. De beschikbare tijd wordt dan gebruikt om een hoge gelijktijdige vraag te voorkomen.
De bruikbaarheid van deze aanpak hangt af van de planning. Wanneer meerdere voertuigen binnen korte tijd veel energie nodig hebben, is minder ruimte om de laadvraag te verschuiven. Daarom moeten piekbelasting en operationele inzet altijd gezamenlijk worden beoordeeld.
De netaansluiting stelt een grens aan de hoeveelheid elektriciteit die de locatie kan afnemen. Binnen die grens gebruiken kantoren, magazijnen, werkplaatsen en andere voorzieningen eveneens energie. Het resterende deel kan voor het laden van voertuigen worden ingezet.
Slim laden kan de beschikbare ruimte over verschillende momenten verdelen. Wanneer het overige energiegebruik laag is, kan meer vermogen naar de laadvoorzieningen gaan. Neemt het gebruik elders op de locatie toe, dan kan het laadvermogen worden aangepast.
Daarmee kan de aansluiting gerichter worden gebruikt. Slim laden vergroot de aansluiting zelf niet en creëert geen extra energie. Het voorkomt vooral dat alle laadprocessen los van elkaar worden aangestuurd en gezamenlijk een ongewenste piek veroorzaken.
Om te beoordelen wat binnen de bestaande aansluiting haalbaar is, moet worden gekeken naar het volledige energieprofiel. Een gemiddelde of jaarlijks totaal geeft onvoldoende informatie. Juist de momenten waarop de hoogste belasting ontstaat, bepalen hoeveel ruimte voor het wagenpark beschikbaar blijft.
Een laadplein staat binnen de energievoorziening van de locatie niet op zichzelf. Wanneer zonnepanelen of batterijopslag aanwezig zijn, kunnen deze onderdelen eveneens door het energiemanagementsysteem worden meegenomen.
Zonnepanelen wekken elektriciteit op tijdens de uren waarop voldoende zonlicht beschikbaar is. De waarde voor het wagenpark hangt af van de vraag of voertuigen op die momenten aanwezig zijn en kunnen laden. Wanneer opwekking en laadvraag niet samenvallen, is directe inzet mogelijk beperkt.
Batterijopslag kan afhankelijk van de situatie elektriciteit op een eerder moment opslaan en later beschikbaar stellen. Daarmee kan opslag mogelijk een rol spelen op momenten waarop de vraag van voertuigen hoger is.
Of zonnepanelen of opslag relevant zijn, kan pas worden bepaald na een analyse van:
De verschillende onderdelen moeten als één energiesysteem worden beoordeeld.
Een laadstrategie wordt vooraf gebaseerd op routes, vertrektijden en verwacht voertuiggebruik. Na ingebruikname ontstaat informatie over de manier waarop voertuigen werkelijk laden. Deze gegevens kunnen afwijken van de oorspronkelijke verwachtingen.
Laadgegevens kunnen zichtbaar maken:
Deze informatie helpt om te beoordelen of de ingestelde laadstrategie nog bij de praktijk past. Mogelijk blijken voertuigen langer stil te staan dan vooraf verwacht of ontstaan pieken op andere momenten.
Data heeft pas waarde wanneer zij wordt vertaald naar beslissingen. Het verzamelen van meetgegevens is daarom geen einddoel. De uitkomsten moeten worden gebruikt om laadprioriteiten, instellingen en toekomstige investeringen te beoordelen.
Een wagenpark blijft zich ontwikkelen. Nieuwe voertuigen kunnen een andere batterijgrootte, laadbehoefte of inzet hebben. Routes veranderen en het aantal laadpunten kan toenemen. Hierdoor verandert eveneens de manier waarop energie over de locatie moet worden verdeeld.
Een laadstrategie die bij de eerste voertuigen goed werkt, hoeft niet automatisch geschikt te zijn voor een volgende uitbreidingsfase. Wanneer meer voertuigen gelijktijdig aanwezig zijn of eerder moeten vertrekken, kunnen andere prioriteiten ontstaan.
Monitoring en beheer maken het mogelijk om de energiesturing hierop aan te passen. Daarbij kan worden gekeken naar:
Door de strategie periodiek opnieuw te beoordelen, blijft de aansturing aansluiten op de dagelijkse operatie en toekomstige investeringen.
Zonneklaar begint met een analyse van het wagenpark, het laadgedrag, de transportplanning, het bestaande energiegebruik en de beschikbare netcapaciteit. Hiermee wordt bepaald wanneer de laadvraag ontstaat en welke voertuigen binnen de dagelijkse operatie prioriteit hebben.
Vervolgens wordt een strategie ontwikkeld waarin laadvoorzieningen, energiemanagement, lokale opwekking en eventuele batterijopslag met elkaar kunnen worden verbonden. Alleen onderdelen die bij de locatie en het vraagstuk passen, worden daarin meegenomen.
Zonneklaar kan daarna betrokken blijven bij de engineering, realisatie en inrichting van het energiemanagementsysteem. Na oplevering helpen monitoring, onderhoud en strategische optimalisatie om de aansturing te laten aansluiten op veranderingen binnen het wagenpark.
Het uitgangspunt is dat de energievoorziening dezelfde operationele logica volgt als de transportplanning. Voertuigen moeten voldoende geladen zijn wanneer zij nodig zijn, terwijl de beschikbare ruimte op de locatie wordt bewaakt.
Slim laden draait om het afstemmen van energie op de dagelijkse inzet van het wagenpark. Vertrektijden, routes, beschikbare laadtijd en netcapaciteit bepalen gezamenlijk wanneer en met welk vermogen voertuigen worden geladen.
Een energiemanagementsysteem kan deze keuzes automatisch uitvoeren, maar heeft daarvoor duidelijke operationele uitgangspunten nodig. Door de transportplanning en energievoorziening met elkaar te verbinden, ontstaat meer controle over laadmomenten, piekbelasting en verdere uitbreiding.
Wil je weten hoe jouw wagenpark binnen de beschikbare energiecapaciteit kan worden geladen? Zonneklaar brengt het laadgedrag, de transportplanning en het energiegebruik van jouw locatie samen.
01 Betekent slim laden dat voertuigen langzamer laden?
Slim laden kan het laadvermogen op bepaalde momenten verlagen of verdelen. Het doel is dat voertuigen op tijd voldoende energie hebben voor hun geplande inzet. De beschikbare laadtijd en vertrektijd bepalen hoeveel het laadproces kan worden gespreid.
02 Kunnen voertuigen met verschillende vertrektijden tegelijk slim laden?
Ja. De laadstrategie kan rekening houden met verschillende vertrektijden en energiebehoeften. Voertuigen die eerder nodig zijn, kunnen een hogere prioriteit krijgen dan voertuigen die langer op de locatie blijven.
03 Is een energiemanagementsysteem altijd nodig?
Dat hangt af van het aantal laadpunten, het energiegebruik en de gewenste aansturing. Wanneer meerdere voertuigen en andere energievragers binnen dezelfde aansluiting moeten worden afgestemd, kan automatische energiesturing relevant zijn.
04 Kan slim laden een zwaardere netaansluiting voorkomen?
Dat staat niet vooraf vast. Slim laden kan helpen om de bestaande capaciteit over meerdere momenten en voertuigen te verdelen. Of dit voldoende is, hangt af van de totale laadbehoefte, de beschikbare tijd en het overige energiegebruik.
05 Werkt een energiemanagementsysteem zonder koppeling met de planning?
Een systeem kan technische grenzen bewaken, maar heeft informatie of ingestelde prioriteiten nodig om voertuigen op basis van de operatie aan te sturen. Zonder duidelijke vertrektijden en laadbehoeften kan het systeem minder gericht bepalen welk voertuig voorrang moet krijgen.
06 Moet de laadstrategie na de oplevering worden aangepast?
Dat kan nodig zijn wanneer voertuigen, routes, vertrektijden of het energiegebruik veranderen. Monitoring laat zien of de oorspronkelijke instellingen nog aansluiten op de dagelijkse praktijk en toekomstige groei.
Wil je weten welke energieaanpak past bij je bedrijf, locatie en plannen? Zonneklaar brengt je verbruik, piekmomenten, beschikbare capaciteit en toekomstplannen in kaart. Zo krijg je duidelijkheid over de keuzes die nodig zijn om je energievoorziening beter te benutten.