Leestijd: 12 minuten
Elektrische vrachtwagens moeten voldoende geladen zijn voordat zij volgens planning vertrekken. Daarmee wordt laadinfrastructuur een bedrijfskritisch onderdeel van de transportorganisatie. Een laadpunt dat technisch functioneert, is niet automatisch voldoende. De laadvoorzieningen moeten aansluiten op routes, terugkeertijden, stilstand, gelijktijdige laadvraag en de ontwikkeling van het wagenpark.
Een laadplein voor zwaar transport begint daarom bij de dagelijkse operatie. Pas wanneer duidelijk is wanneer voertuigen aanwezig zijn en hoeveel energie zij voor hun volgende rit nodig hebben, kan worden bepaald welke laadvoorzieningen, vermogens en energiesturing bij de locatie passen.
Kort uitgelegd: Laadinfrastructuur voor zwaar transport bestaat uit meer dan een aantal laadpunten. Het laadplein moet worden afgestemd op de inzet van de vrachtwagens, de beschikbare netcapaciteit en toekomstige uitbreiding van het wagenpark. Slim laden, energiemanagement, batterijopslag en lokale opwekking kunnen daarbij een rol spelen, afhankelijk van de situatie op de locatie.
In dit artikel:

Binnen een transportbedrijf draait de dagelijkse operatie om de beschikbaarheid van voertuigen. Klanten verwachten dat leveringen op tijd aankomen en de planning gaat ervan uit dat iedere vrachtwagen op het afgesproken moment kan vertrekken.
Bij elektrisch transport wordt de laadtoestand van het voertuig onderdeel van die beschikbaarheid. Wanneer een vrachtwagen onvoldoende energie heeft voor de geplande route, kan dit gevolgen hebben voor de chauffeur, de planning en de levering aan de klant.
De laadinfrastructuur moet daarom dezelfde betrouwbaarheid ondersteunen als de rest van de transportorganisatie. Het gaat niet uitsluitend om de vraag of een vrachtwagen technisch kan laden. Belangrijker is of het voertuig voldoende geladen is op het moment waarop het opnieuw de weg op moet.
Dat maakt het laadplein onderdeel van de bedrijfsvoering. De inrichting moet passen bij het gebruik van het wagenpark en moet kunnen meebewegen wanneer voertuigen, routes en laadbehoeften veranderen.
Een laadplein kan pas worden ontworpen wanneer duidelijk is hoe de vrachtwagens worden ingezet. De transportplanning bepaalt wanneer voertuigen terugkeren, hoelang zij stilstaan en wanneer zij opnieuw moeten vertrekken.
Een vrachtwagen die aan het einde van de dag terugkeert en de volgende ochtend weer vertrekt, heeft een ander laadprofiel dan een voertuig dat gedurende de dag maar kort op de locatie aanwezig is. Ook de lengte en zwaarte van de volgende route beïnvloeden hoeveel energie nodig is.
Daarom moet eerst antwoord worden gegeven op vragen zoals:
Deze informatie bepaalt hoe het laadproces binnen de operatie kan worden ingepast. Pas daarna kan worden gekeken naar het aantal laadpunten en het benodigde laadvermogen.
De basis voor een laadplein bestaat uit gegevens over het wagenpark, de transportplanning en de bedrijfslocatie. Zonder deze informatie bestaat het risico dat de laadinfrastructuur wordt gebaseerd op aannames die later niet aansluiten op het werkelijke gebruik.
Per voertuig of voertuiggroep moet duidelijk worden hoe de dagelijkse inzet eruitziet. Denk daarbij aan routes, terugkeertijden, stilstand en de energie die voor een volgende rit nodig is.
Daarnaast moet de locatie worden onderzocht. Daarbij gaat het om de bestaande energievoorziening, de beschikbare netcapaciteit en andere processen die elektriciteit gebruiken.
Voor een eerste beoordeling is onder meer informatie nodig over:
Door deze gegevens samen te brengen, ontstaat een laadprofiel. Dat profiel vormt de basis voor het technische ontwerp en de verdere energiestrategie.
Het aantal vrachtwagens bepaalt niet rechtstreeks hoeveel laadpunten nodig zijn. Een laadpunt hoeft niet automatisch permanent aan één voertuig te worden gekoppeld. De benodigde hoeveelheid hangt af van de momenten waarop voertuigen aanwezig zijn en hoeveel tijd zij beschikbaar hebben om te laden.
Wanneer voertuigen op verschillende momenten terugkeren, kan de laadinfrastructuur mogelijk door meerdere vrachtwagens worden gebruikt. Keren veel voertuigen gelijktijdig terug en moeten zij kort daarna weer vertrekken, dan ontstaat een andere situatie.
Daarom moet per voertuiggroep worden beoordeeld:
Op basis daarvan kan worden bepaald hoeveel laadpunten nodig zijn voor de eerste fase. Daarbij moet eveneens worden gekeken naar de mogelijkheid om het laadplein later uit te breiden.
Het doel is niet om zoveel mogelijk laadpunten te plaatsen. Het doel is een inrichting waarmee de voertuigen volgens planning beschikbaar zijn.
Het benodigde laadvermogen hangt samen met de hoeveelheid energie die een vrachtwagen nodig heeft en de tijd die beschikbaar is om deze energie te laden. Een voertuig dat langdurig stilstaat, kan zijn laadbehoefte over meer uren verdelen dan een vrachtwagen die snel opnieuw moet vertrekken.
Daarom kan het benodigde vermogen niet uitsluitend worden bepaald aan de hand van het voertuig of de grootte van de batterij. De geplande inzet is minstens zo belangrijk.
Bij het bepalen van het laadvermogen worden onder meer de volgende vragen meegenomen:
Uit deze combinatie ontstaat het vermogen dat op verschillende momenten nodig is. Dat kan per voertuig en per laadperiode verschillen.
Een hoger technisch laadvermogen is daardoor niet automatisch de beste keuze. Het vermogen moet passen bij de planning en binnen de technische grenzen van de locatie kunnen worden gebruikt.
Snel laden richt zich op het in korte tijd toevoegen van veel energie aan een voertuig. Slim laden richt zich op het moment waarop een voertuig energie nodig heeft en de manier waarop het beschikbare vermogen over meerdere vrachtwagens wordt verdeeld.
Niet iedere vrachtwagen hoeft direct na terugkomst op het hoogste vermogen te laden. Wanneer een voertuig pas later vertrekt, kan het laadproces mogelijk over een langere periode worden verspreid. Een vrachtwagen die eerder nodig is, kan juist voorrang krijgen.
Bij slim laden wordt onder meer rekening gehouden met:
Hierdoor kan het laadproces aansluiten op de transportplanning. Het doel is dat iedere vrachtwagen op het juiste moment voldoende geladen is.
Slim laden creëert geen extra elektriciteit en vergroot de netaansluiting niet. Het helpt om de beschikbare ruimte gerichter te gebruiken en ongewenste gelijktijdige pieken te beperken.
De beschikbare netcapaciteit bepaalt hoeveel elektriciteit de bedrijfslocatie op een bepaald moment kan afnemen. Het laadplein deelt deze ruimte met andere voorzieningen en bedrijfsprocessen op dezelfde locatie.
Wanneer meerdere vrachtwagens tegelijk met een hoog vermogen laden, kan de totale belasting snel toenemen. Een zwaardere aansluiting lijkt dan een logische vervolgstap, maar deze is door netcongestie mogelijk niet direct beschikbaar.
Daarom moet eerst worden onderzocht hoeveel ruimte de bestaande situatie biedt. Belangrijke vragen zijn:
Uit de analyse kan blijken dat een deel van het wagenpark binnen de bestaande capaciteit kan laden, mits de laadmomenten gericht worden aangestuurd.
Bij verdere uitbreiding kan vervolgens worden beoordeeld welke aanvullende maatregelen nodig zijn.
Een energiemanagementsysteem bewaakt de energieverdeling op de locatie. Het systeem kan volgen hoeveel elektriciteit de overige bedrijfsprocessen gebruiken en hoeveel ruimte er overblijft voor het laden van vrachtwagens.
Op basis van ingestelde prioriteiten kan het beschikbare vermogen over de laadpunten worden verdeeld. Wanneer het gebruik elders op de locatie toeneemt, kan het laadvermogen tijdelijk worden aangepast. Zodra meer ruimte beschikbaar komt, kan het laadproces weer worden verhoogd.
Het systeem kan rekening houden met:
Een energiemanagementsysteem bepaalt niet zelf welke vrachtwagen het belangrijkst is. Deze operationele afspraken moeten vooraf worden vastgesteld. De software vertaalt de gemaakte keuzes vervolgens naar automatische aansturing.
Daardoor krijgt de energievoorziening dezelfde logica als de dagelijkse transportplanning.
Batterijopslag en lokale energieopwekking kunnen onderdeel worden van het totale energiesysteem rond een laadplein. Of deze onderdelen relevant zijn, hangt af van de laadmomenten, de beschikbare netcapaciteit en het overige energiegebruik van de locatie.
Lokale opwekking kan elektriciteit leveren op momenten waarop vrachtwagens aanwezig zijn en kunnen laden. Wanneer de opwekking en de laadvraag op verschillende momenten plaatsvinden, moet worden beoordeeld hoe de opgewekte energie binnen de locatie kan worden benut.
Batterijopslag kan mogelijk energie opslaan en deze later beschikbaar stellen. Daarmee kan opslag afhankelijk van de situatie bijdragen op momenten waarop de laadvraag hoger is dan de ruimte die direct beschikbaar is.
Deze technieken vormen geen standaardoplossing voor ieder laadplein. Eerst moet duidelijk zijn:
Pas daarna kan worden bepaald welke combinatie van laden, opslag, opwekking en energiemanagement bij de locatie past.
Een transportbedrijf begint mogelijk met enkele elektrische vrachtwagens, terwijl het aandeel elektrisch vervoer later verder groeit. De eerste inrichting moet daarom aansluiten op de huidige behoefte en tegelijkertijd rekening houden met toekomstige uitbreiding.
Dat betekent niet dat alle laadvoorzieningen direct in hun uiteindelijke omvang hoeven te worden gerealiseerd. Wel moet vooraf worden onderzocht welke ontwikkelingen worden verwacht en welke technische keuzes later moeilijk aanpasbaar zijn.
Bij de voorbereiding op groei wordt onder meer gekeken naar:
Met meerdere scenario’s kan worden doorgerekend wat de eerste, tweede en latere elektrificatiefasen van de locatie vragen.
Op basis daarvan ontstaat een roadmap. Hierin staat welke voorzieningen nu nodig zijn, welke onderdelen voorbereid kunnen worden en op welke momenten een nieuwe beoordeling nodig is.
Elektrische vrachtwagens en laadtechnieken blijven zich ontwikkelen. In het aangeleverde document wordt het Megawatt Charging System, afgekort MCS, genoemd als een nieuwe laadstandaard waarmee bij toekomstige ontwikkelingen rekening moet worden gehouden.
De komst van hogere laadvermogens kan gevolgen hebben voor de inrichting en technische voorbereiding van een laadplein. Of en wanneer MCS voor een specifieke locatie nodig wordt, hangt af van het toekomstige wagenpark, de routes en de beschikbare laadtijd.
Een transportbedrijf hoeft daarom niet automatisch direct in MCS te investeren. Wel is het verstandig om tijdens het ontwerp te beoordelen:
Door deze ontwikkeling in de roadmap mee te nemen, kan worden voorkomen dat de eerste inrichting toekomstige keuzes onnodig beperkt.
Een laadplein blijft zich na de oplevering ontwikkelen. Nieuwe vrachtwagens kunnen grotere batterijen of andere laadvermogens hebben. Routes en vertrektijden veranderen en het aantal voertuigen dat gelijktijdig laadt kan toenemen.
Monitoring laat zien hoe de laadinfrastructuur in de praktijk wordt gebruikt. Daarmee wordt onder meer zichtbaar:
Deze gegevens kunnen worden gebruikt om laadprioriteiten en instellingen aan te passen. Ook kan worden beoordeeld of de oorspronkelijke uitgangspunten nog aansluiten op de huidige bedrijfsvoering.
Beheer omvat daarom onderhoud, monitoring en strategische optimalisatie. Het zorgt ervoor dat de laadinfrastructuur blijft aansluiten op veranderingen binnen het wagenpark en de transportplanning.
Zonneklaar begint bij de logistieke operatie. We brengen het wagenpark, de routes, de terugkeertijden, de beschikbare laadtijd, de energievraag en de groeiplannen van jouw organisatie in kaart.
Deze informatie wordt verbonden aan de bestaande energievoorziening en de beschikbare netcapaciteit. Vervolgens worden verschillende scenario’s doorgerekend. Daarmee wordt duidelijk hoeveel laadpunten en laadvermogen in iedere fase nodig zijn en welke rol energiemanagement, batterijopslag of lokale opwekking eventueel kan spelen.
Vanuit deze analyse ontstaat een technisch ontwerp en een roadmap voor de verdere ontwikkeling van het laadplein. Zonneklaar kan betrokken blijven bij:
Het uitgangspunt is dat de laadinfrastructuur past bij de transportplanning. Iedere vrachtwagen moet voldoende geladen kunnen vertrekken op het moment waarop de operatie daarom vraagt.
Laadinfrastructuur voor zwaar transport begint niet bij het aantal laadpunten. De routes, terugkeertijden, stilstand, energiebehoefte en beschikbare netcapaciteit bepalen hoe het laadplein moet worden ingericht.
Door de dagelijkse transportplanning en de energievoorziening samen te beoordelen, ontstaat een laadstrategie die past bij de eerste elektrische vrachtwagens en de verdere ontwikkeling van het wagenpark.
Werk je aan de elektrificatie van jouw wagenpark of wil je weten welke laadinfrastructuur bij jouw organisatie past? Zonneklaar brengt jouw voertuigen, laadbehoefte, netcapaciteit en groeiplannen samen in een uitvoerbare roadmap.
01 Hoeveel laadpunten heeft een transportbedrijf nodig?
Dat hangt af van het aantal voertuigen dat gelijktijdig aanwezig is, de beschikbare laadtijd en het moment waarop zij weer moeten vertrekken. Het aantal laadpunten kan daarom niet uitsluitend worden afgeleid van het totale aantal vrachtwagens.
02 Moet iedere elektrische vrachtwagen een eigen laadpunt hebben?
Dat staat niet vooraf vast. Wanneer voertuigen op verschillende momenten aanwezig zijn of voldoende lang stilstaan, kan worden onderzocht of laadvoorzieningen door meerdere vrachtwagens kunnen worden gebruikt.
03 Is snel laden altijd de beste keuze voor vrachtwagens?
Nee. Het benodigde laadvermogen hangt af van de energiebehoefte en de beschikbare tijd. Wanneer een vrachtwagen langere tijd stilstaat, kan het laadproces mogelijk over meer uren worden verdeeld. De transportplanning bepaalt welk vermogen nodig is.
04 Is een zwaardere netaansluiting altijd nodig?
Dat hangt af van de huidige belasting, de beschikbare ruimte en het laadprofiel van het wagenpark. Slim laden en energiemanagement kunnen mogelijk helpen om de bestaande capaciteit gerichter te gebruiken. Dit moet per locatie worden doorgerekend.
05 Wanneer is batterijopslag relevant voor een laadplein?
Batterijopslag kan relevant zijn wanneer zij een concreet verschil maakt binnen het energieprofiel van de locatie. Eerst moet worden vastgesteld wanneer het knelpunt ontstaat, hoeveel energie nodig is en hoe de opslag samenwerkt met laden, lokale opwekking en de netaansluiting.
06 Moet een laadplein direct geschikt zijn voor MCS?
Niet ieder laadplein hoeft direct met MCS te worden uitgevoerd. Wel kan tijdens het ontwerp worden beoordeeld of toekomstige voertuigen en laadbehoeften om een technische voorbereiding vragen.
07 Waarom moet een laadplein na oplevering worden gemonitord?
Het werkelijke laadgedrag kan veranderen door nieuwe voertuigen, routes en vertrektijden. Monitoring laat zien hoe de installatie wordt gebruikt en hoeveel ruimte beschikbaar blijft voor uitbreiding en aanpassing.
Wil je weten welke energieaanpak past bij je bedrijf, locatie en plannen? Zonneklaar brengt je verbruik, piekmomenten, beschikbare capaciteit en toekomstplannen in kaart. Zo krijg je duidelijkheid over de keuzes die nodig zijn om je energievoorziening beter te benutten.